Bier is politiek, Vrij Nederland, 6 april 2016

Foto: Ronald de Hommel

In Boma, een bescheiden havenstad in het westen van Congo, is het in brede kringen bekend: als president Joseph Kabila op bezoek komt, logeert hij in een luxueuze villa die eigendom is van Bralima, de lokale dochteronderneming van bierbrouwer Heineken. De professor economie aan de universiteit weet dat, plaatselijke journalisten zijn op de hoogte en ook de taxichauffeur kan erover meepraten.

Op het terras van L’Auberge du Vieux Port aan de oever van de Congo legt afdelingsvoorzitter Jean-Pierre Pambu uit dat zijn illustere partijgenoot in Boma niet over een eigen verblijf beschikt en dat een hotel op stand ontbreekt. ‘De villa ligt op een mooie, kalme plek, met zwembad en een grote tuin. Op het brouwerijterrein van Bralima ontmoet hij in alle rust politici, hoge ambtenaren en andere hoogwaardigheidsbekleders. Toen ik er was, organiseerden ze een groot diner met zo’n dertig genodigden. De directie van Bralima was er ook bij.’

Of zo’n logeerpartij voordelen biedt voor Heineken? Pambu grijnst, terwijl hij uitkijkt over de brede rivier en de maagdelijke groene heuvels aan de overzijde, in het buurland Angola. Houten visserskano’s en zwaarbeladen containerschepen varen aan het terras voorbij. ‘Voordelen? Het is goud waard. Bij problemen hebben ze directe toegang tot de juiste mensen. En problemen zijn er altijd. Natuurlijk biedt het voordelen. Dit is Congo.’

Dit is de Democratische Republiek Congo, het grootste land van Afrika ten zuiden van de Sahara en een van de armste, corruptste en labielste staten op aarde. Dit is het land dat ruim een eeuw geleden ten prooi viel aan de grillen van de Belgische koning Leopold II, die het niet als kolonie beschouwde maar als zijn persoonlijk eigendom, en de natie die na de onafhankelijkheid in 1960 ruim dertig jaar de speelbal werd van alleenheerser Mobutu Sese Seko. Sinds zijn vertrek maken tientallen rebellengroepen en bendes grote delen van het oosten onveilig in een conflict dat in dodental alleen de Tweede Wereldoorlog boven zich hoeft te dulden.

Dit is ook het land waar Heineken zich al meer dan tachtig jaar staande houdt, doorgaans met uitstekend resultaat. Bralima (Brasseries Limonaderies et Malterie Africaines) is een van de oudste buitenlandse deelnemingen van Heineken en geniet als zodanig een mythische status binnen het concern. Een paar jaar in het onvoorspelbare Congo geldt als de ultieme leerschool voor aanstormende topmanagers, zoals bestuursvoorzitter Jean-François van Boxmeer, de jonge hoogvlieger Dolf van den Brink (huidige topman in Mexico) en de voormalige bestuursleden René Hooft Graafland en Marc Bolland. If you can make it there, you can make it anywhere is bij Heineken eerder van toepassing in de Congolese hoofdstad Kinshasa dan in New York.

Teelballen van Pygmeeën

Als geen ander weten deze doorgewinterde Congogangers dat de zakelijke omgangsvormen ter plekke niet dezelfde zijn als in het Westen en dat internationale richtlijnen voor het zakenleven en de eigen gedragscode vaak vooral papieren documenten zijn, die weinig met de realiteit te maken hebben. Wat te denken van zakenpartner en medeaandeelhouder Jean-Pierre Bemba, die onlangs officieel schuldig werd bevonden aan misdaden tegen de menselijkheid? Het Internationale Strafhof in Den Haag hield hem als bevelhebber verantwoordelijk voor de stelselmatige verkrachtingen en grootschalige moordpartijen die zijn troepen bijna vijftien jaar geleden begingen tijdens een operatie in het buurland Centraal-Afrikaanse Republiek.

Bovendien is Bemba, los van deze zaak, beschuldigd van kannibalisme. In Oost-Congo deden zijn manschappen zich in 2003 tegoed aan de teelballen van Pygmeeën, waaraan magische krachten werden toegeschreven, en dwongen ze slachtoffers organen van stamgenoten op te eten. In zijn boek Handelaar in oorlog schrijft de Belgische journalist Dirk Draulans dat Bemba een krijgsraad bijeenriep waar 27 schuldigen werden aangewezen en dat de kous voor hem daarmee af was.

Voor Heineken, een bedrijf dat zich erop laat voorstaan groot belang te hechten aan bedrijfsethiek, was het geen reden de zakelijke banden door te snijden. De brouwer heeft volgens een woordvoerder wel geprobeerd de familie Bemba uit te kopen, maar die zou te zeer zijn gehecht aan het belang. Of was het bod niet hoog genoeg?

‘Het opdringende zwarte ras’

Heineken kreeg in 1935 voor het eerst voet aan de grond in Congo, toen het een aandelenpakket verwierf in een allegaartje aan biermaatschappijen, verspreid over de wereld. Het concern was onder de indruk van de moderne brouwerij in Leopoldstad, het latere Kinshasa, die werd gerund door Belgen en volgens de archieven gebruikmaakte van ‘de meest revolutionaire fabricagemethodes’. Het lokale merk Primus, hét volksbier van Centraal-Afrika, smaakte zo goed, dat ‘importeurs van Europees bier het hier niet gemakkelijk zullen hebben’.

Het stond in schril contrast met het beschavingsniveau dat de Nederlanders ter plaatse waarnamen. ‘De neger staat, hoe men daar ook over mag denken, op een veel lagere cultuurtrap dan de Javaan. Aan landbouw doet hij uitermate weinig. Wat er aan werk gedaan wordt, doet de vrouw. Evenals ten tijde van de Batavieren hier staat de vrouw volkomen op het tweede plan,’ schreef ingenieur Jan Emmens in zijn reisverslag in 1953.

Toch was het bestuurslid van Heineken optimistisch. ‘Wanneer de man gaat werken, dan is dat uitsluitend voor zíjn plezier (…). En aangezien dit plezier voor een groot gedeelte bestaat uit het drinken van bier, is dit voor de brouwerij een land van belofte. Men zegt dat 70 procent van de omzet van plattelandswinkels bier is.’ Al met al was het voldoende reden om drie nieuwe brouwerijen te bouwen, in de steden Boma, Bukavu en Kisangani.

Die waren nog maar net in werking gesteld of er ontstond onrust in de kolonie. ‘Er zijn intussen tekenen die erop wijzen dat de welvaart in Belgisch Congo niet onverminderd zal voortduren,’ constateerde diezelfde Emmens in 1956. ‘Er zouden al eerste, weliswaar zeer zwakke, symptomen zijn van een beweging van “Congo voor de inheemsen” en dat men hier uiteindelijk dezelfde stroming zal krijgen als in de andere delen van Afrika, kan niet uitblijven.’

Bij Heineken hadden ze weinig op met Afrikaanse vrijheidsstrijders. In Kenia werd gesproken van ‘zwarte rakkers’ die de ‘praktisch volmaakte Europese stad’ Nairobi onveilig maakten en het best uitgeroeid konden worden, en in Mozambique prees de brouwer de krachtige hand van de Portugese dictator António Salazar. Diens ‘troepen bewijzen eens te meer dat Portugal zijn koloniën niet makkelijk zal loslaten en tezamen met Rhodesië, Zuid-Afrika en Angola een blok wil vormen tegen het opdringende zwarte ras’.

Dubbele boekhouding

Toen Congo in 1960 de onafhankelijkheid uitriep, waren Heineken en de Belgische partner Banque Lambert vooral bang dat hun marges flink zouden dalen omdat de jonge regering mee zou willen profiteren van de lucratieve bierhandel. Boekhouders kregen daarom de opdracht zich van hun creatiefste kant te laten zien. Een groot aantal brouwerijen in Afrika hield voortaan dubbele kasboeken bij: een deel van de winst werd opgegeven aan de lokale fiscus en de rest, meestal een groter bedrag, werd buiten het zicht van de autoriteiten overgeheveld naar een Zwitserse holding.

‘De onderneming is zeer winstgevend,’ verklaarde A. Miedema, directeur van Heineken International. ‘Naast de op de balans gedeclareerde resultaten komen via de marché parallèle aanzienlijke bedragen, die bezwaarlijk aan de aandeelhouders kunnen worden uitgekeerd, in Zwitserland binnen.’ Heineken stak de onbelaste winst geheel in eigen zak.

Het ging om zoveel geld dat witwassen geen sinecure bleek. De archieven melden dat er werd gezocht naar een ‘mogelijkheid om Zwitsers-zwart Belgisch-wit te maken’, via een kantoor in Brussel dat zou investeren in nieuwe brouwerijprojecten. Dat tussenstation diende bovendien als ‘windscherm’ om het eigen bedrijf in de luwte te houden als er trammelant zou ontstaan.

De duistere praktijken werden Unilever, dat intussen ook een belang had genomen in de Congolese brouwonderneming, in 1967 te gortig. Het Brits-Nederlandse levensmiddelenbedrijf hechtte in Congo meer belang aan palmoliewinning en vreesde dat de ‘manipulaties’, zoals Heineken het zelf noemde, de relatie met de plaatselijke overheid zouden verstoren.

Dat irriteerde Heineken. ‘Alles zou [volgens Unilever] beslist via de officiële mogelijkheden moeten gaan: officieel dividend, officiële technische en/of commerciële vergoedingen,’ schreef het bestuurslid J. van der Werf in 1967. ‘Ik heb er toen terstond op gewezen dat, indien wij niet al een reeks van jaren langs allerlei wegen geld uit Congo hadden weten te pompen, zowel de organisatie in Brussel als in Rotterdam onbestaanbaar zou zijn geweest en dat het dus ondenkbaar is dat deze zaak veranderd wordt.’

Twee belangrijke organisaties binnen het concern – het ging waarschijnlijk om Interbra in Brussel en Technisch Beheer Buitenland in Rotterdam – dankten destijds hun bestaan aan de zwarte geldstromen uit Afrika. Het zegt iets over de enorme omvang.

Met deze strategie ontnam Heineken de jonge regeringen een belangrijk deel van hun inkomsten. Vaak wordt verondersteld dat westerse bedrijven zich in Afrika hebben aangepast aan een cultuur van fraude, corruptie en eigenbelang, die het continent nog steeds parten speelt, maar in dit geval lijkt het er meer op dat Heineken zelf actief heeft bijgedragen aan de totstandkoming daarvan.

Megalomane dictator

In dit licht valt bijna begrip op te brengen voor de beslissing van president Mobutu om een groot deel van de economie te nationaliseren, zoals ook elders in Afrika gebeurde. Hij was in 1965 aan de macht gekomen en ontpopte zich al snel tot dictator zonder mededogen. Begin jaren zeventig had hij de naam van zijn land, de grote rivier en de nationale munt veranderd in ‘Zaïre’ en nu moest ook het bedrijfsleven ‘zaïrianiseren’.

Al snel bleek het ‘de luipaard’, zoals Mobutu’s bijnaam luidde, niet te doen om een eerlijker verdeling van de rijkdommen. Als bedrijfsleider van Bralima stelde hij immers zijn stamgenoot Litho Moboti aan, die bij een vorig bedrijf dat hij onder zijn hoede had binnen de kortste keren het astronomische bedrag van 150 miljoen gulden had verloren.

Bij Bralima slaagde Litho er volgens Heineken in om binnen een halfjaar eveneens bijna 50 miljoen gulden uit het bedrijf te trekken, waarbij de Nederlanders vermoedden dat een deel ten goede kwam aan Mobutu en het leger. Heineken besefte dat het zich nu binnen de invloedssferen van de regeringsclan bevond en had zijn verlies kunnen nemen, maar liet zich willens en wetens voor het karretje spannen van een megalomane dictator, hopende op betere tijden.

‘Dit bewind is eindig,’ schreef bestuurslid Miedema in een notitie waar de wanhoop vanaf spatte. ‘Het kan nog enkele jaren duren, maar het kán niet voortbestaan. Ons grootste belang is naar mijn mening eraan mee te werken dat het bedrijf zo goed mogelijk in stand blijft, zonder dat het ons geld kost – liefst met enige bate voor ons – opdat wij als de tijden keren met onze partners weer opnieuw kunnen beginnen in een zo schoon mogelijke uitgangspositie.’

We schrijven 30 mei 1975, 22 jaar en drie maanden voordat Mobutu ten val zou komen.
De Belgische partners vonden het kort daarna mooi geweest: net als veel andere westerse bedrijven hielden ze het begin jaren tachtig voor gezien in Afrika. Heineken had de zeggenschap over het bedrijf en het kapitaal inmiddels teruggekregen, op voorwaarde dat het met een lokale partner in zee zou gaan. Litho werd te riskant geacht en de keuze viel op de steenrijke zakenman Jeannot Bemba, die zich eveneens in de entourage van Mobutu ophield. Diens zoon Jean-Pierre, de omstreden rebellenleider, erfde het belang met zijn familie en deelt zo tot op de dag van vandaag mee in de winst van Heineken.

Zwijgende medeplichtige

In 1997 kwam er dan toch een einde aan ruim drie decennia Mobutu. In zijn nadagen, die hij grotendeels sleet in privépaleizen in de oerwoudstad Gbadolite, kreeg de dictator volgens verschillende hooggeplaatste bronnen binnen Bralima nog enkele malen bezoek van een jonge ambitieuze landelijke directeur, Van Boxmeer. De huidige topman zou goed met Mobutu overweg hebben gekund. Dat was volgens ingewijden in het belang van het bedrijf, net zoals de logeerpartijen van Kabila.

Het wegvallen van ‘de luipaard’ vormde het begin van een periode van langdurige instabiliteit, vooral in het oosten, en Heineken bleef niet buiten schot. Toen de bloeddorstige rebellenbeweging RCD-Goma de stad Bukavu veroverde op de grens met Rwanda, eiste zij dat de lokale brouwerij van Bralima bleef produceren. Heineken accepteerde dat en betaalde voortaan belasting aan een groepering die zich schuldig maakte aan verkrachtingen en moordpartijen, alsof het de rechtmatige autoriteiten betrof. De brouwer slaagde er zelfs in een voordelige fiscale deal te sluiten met de rebellen, die standhield toen de regering in Kinshasa de touwtjes in 2003 weer in handen kreeg.

Volgens de criteria van het UN Global Compact, een serie principes waaraan bedrijven zich wereldwijd zouden moeten houden, raakte Heineken op deze manier waarschijnlijk medeplichtig aan mensenrechtenschendingen. Door aanwezig te blijven en belasting te betalen, voedde de brouwer het conflict en het had bovendien voordeel van de fiscale deal. ‘De oorlog was niet begonnen met een winstoogmerk; maar nu zovelen winst maakten, bleef hij voortduren,’ schrijft David van Reybrouck in zijn magnum opus Congo.

Ook in een recenter verleden is Heineken beschuldigd van zwijgende medeplichtigheid bij mensenrechtenschendingen in Oost-Congo. In 2013 liet onderzoeker Peer Schouten, toen verbonden aan de Universiteit van Göteborg, zien dat verscheidene gewapende groepen een ‘tolwachter’ met kalasjnikov inzetten die grote sommen geld of betalingen in natura eist van biertransporten met Heineken-producten, in ruil voor doorgang. Voor een aantal van die groepen, waarvan de een nog gewelddadiger is dan de ander, zijn biertransporten een essentiële inkomstenbron, die hen een motief geven voort te bestaan.

Heineken reageerde dreigend op deze constatering. ‘Wij zijn het compleet oneens met de beschuldiging dat wij een zwijgende medeplichtige zijn bij de mensenrechtenschendingen uitgevoerd door de troepen van RCD-Goma (…). Zoals we tijdens ons gesprek al benadrukten, zou het gebruik van deze woorden in het paper juridische gevolgen kunnen hebben.’

Zonder smeergeld geen zaken

Ruim een halve eeuw nadat een directeur van Heineken de plaatselijke bevolking met Batavieren vergeleek, zijn sommige expats nog steeds niet onder de indruk van de capaciteiten van het lokale personeel. Neem Hans van Mameren, de algemeen directeur die tussen 2003 en 2012 als geen ander zijn stempel drukte op Bralima en de Congolezen naar eigen zeggen van haver tot gort kende. ‘Het fijnere werk ligt hen niet, want er zijn er weinig met een goede motoriek,’ zegt hij in De Telegraaf. ‘Velen hebben nooit op school geleerd om gaatjes te prikken en binnen de lijntjes te kleuren.’

Van Congolese politici had hij evenmin een hoge pet op. ‘Allemaal dieven,’ zei hij volgens een oud-collega, waarmee hij verwees naar de boetes of extra belastingen die ze zijn bedrijf probeerden op te leggen.

Volgens twee hooggeplaatste interne bronnen bij Bralima speelde Van Mameren dit spel echter enthousiast mee. Een voormalig brouwerijdirecteur noemt hem ‘een echte Afrikaan’. ‘Als de fiscus een fout constateert, loop je het risico dat ze je voor het dertigvoudige aanslaan,’ vertelt hij. ‘Je kunt dan naar de rechter stappen, maar je kunt ook discussiëren. Dan kom je misschien uit op een bedrag van 30.000 dollar onder tafel. Dat soort zaken gebeuren op het hoogste niveau en Van Mameren begreep dat. Als je alles volgens de ethische voorschriften doet, haal je niet dezelfde prestaties. Zonder smeergeld geen zaken in Congo.’

De belangrijkste steunpilaar binnen de macht was de presidentiële raadgever Augustin Katumba Mwanké, die bekendstond als de invloedrijkste adviseur van het land. ‘Als dossiers vastzaten, werd hij ingezet,’ zegt de oud-directeur. Groot was dan ook de ontreddering toen Katumba in 2012 omkwam bij een vliegtuigongeluk. ‘We zijn onze belangrijkste bondgenoot kwijt,’ klonk het bij Bralima.

Voedingsbron van de macht

Wie de brouwerij van Heineken in Kinshasa bezoekt, krijgt een heel ander verhaal te horen. De duuzaamheidsretoriek die managers wereldwijd bezigen, waarin groei ‘inclusief’ moet zijn (de lokale bevolking moet meeprofiteren) en vrouwen empowereddienen te worden (vooral op het platteland), blijkt ook in Congo wortel te hebben geschoten. Natuurlijk zijn er ‘uitdagingen’, maar Heineken ‘brouwt een betere toekomst’ en is een ‘groeizaaier’, die mensen ‘terug in het hart van de economie’ wil brengen. Met het fenomeen corruptie is de onderneming volgens de pr-afdeling nog nooit geconfronteerd geweest.

‘We zijn er stellig van overtuigd dat landen in Afrika beter af zijn met onze aanwezigheid, omdat we investeren, omdat we belastingen betalen en omdat we veel van de ondersteunende diensten leveren die regeringen zich niet kunnen veroorloven,’ schrijft Heineken op zijn bedrijfswebsite in een reactie op mijn boek Heineken in Afrika. Veel politici, premier Mark Rutte (VVD) en minister Lilianne Ploumen (PvdA, Handel en Ontwikkelingssamenwerking) voorop, delen deze mening, maar klopt dat wel? Wat heeft de meer dan tachtigjarige aanwezigheid van Heineken een land als Congo gebracht

Volgens een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties leveren de hightech brouwerijen van de moderne biergiganten nauwelijks banen op in Afrika. Door de concurrentie met lokale brouwers gaat per saldo zelfs werk verloren. Ook zijn de opbrengsten voor de economie veel lager dan zogeheten impactstudies van Heineken willen doen geloven. Ze laten de negatieve gevolgen en de kosten van alcohol voor een samenleving immers stelselmatig buiten beschouwing.

‘Bier is politiek,’ zegt Fidel Bafilemba, onderzoeker voor Enough Project, een Amerikaanse organisatie die de economische belangen in Oost-Congo in de gaten houdt. ‘Net als religie is het een virus dat de Congolezen krijgen toegediend om ze in slaap te wiegen. Ik heb niets tegen bier – in sociaal opzicht doet het wonderen – maar als er niets anders is, wordt het een probleem. Er is hier geen context.’

Bafilemba (42) herinnert zich dat er in zijn jeugd verscheidene fabrieken stonden in de regio. ‘Het enige wat nog over is, is de brouwerij van Bralima. Alles is ingestort, alleen de brouwerijen floreren. Zij zijn een voedingsbron van de macht, die de bevolking bar weinig oplevert. Ik denk niet dat brouwers zich ooit morele vragen stellen. Want wat heeft Bralima ons in al die jaren opgeleverd? Je hoort de mensen zeggen: zij geven tenminste werk aan Congolezen. Maar we zijn met meer dan 70 miljoen en zij hebben nauwelijks 1500 man in dienst. Een druppel in de oceaan. En wat is de invloed die ze verder hebben? Als je investeringen ertoe leiden dat je een autoritair, immoreel en onverantwoordelijk regime in stand houdt, moet je daar dan geen conclusies uit trekken? Ik heb nooit iemand uit de bierindustrie horen klagen over de bestemming van hun belastingen. Ze betalen miljoenen francs, maar de Congolezen worden er niet beter van. Ze hebben een kalm geweten, doen hun zaken, terwijl ze de zakken vullen van de roofdieren die bij ons de dienst uitmaken. Zo’n onderneming verandert zelf ook in een roofdier.’

Heineken laat in een schriftelijke reactie weten het ‘volstrekt onjuist’ te vinden dat het bedrijf betrokken zou zijn geweest bij ‘belastingontduiking, fraude, etc’. Jean-Pierre Bemba is volgens de brouwer niet als ‘zakenpartner’ te kwalificeren.

Dit artikel is grotendeels gebaseerd op Olivier van Beemens boekHeineken in Afrika’ (Prometheus, 2015), het resultaat van drie jaar onderzoek. Het boek bevat gedetailleerde bronverwijzingen.